Iatrogene oorzaken van navelstrengprolaps
Iatrogene oorzaken worden gedefinieerd als effecten die voortvloeien uit een medische handeling of medicamenteuze behandeling.
Interventies tijdens de zwangerschap die doorgaans als onschuldig en gebruikelijk worden beschouwd bij de begeleiding van de bevalling, zijn geïdentificeerd als iatrogene risicofactoren voor navelstrengprolaps. Ongeveer 47% van de gevallen van navelstrengprolaps kan worden geassocieerd met verloskundige praktijken [11].
De erkende iatrogene factoren hebben de neiging een van de volgende twee kenmerken te delen: ze houden verband met interventies die kunnen leiden tot het omhoogkomen van het foetale deel uit het bekken, of ze vinden plaats bij het breken van de vliezen. Deze interventies omvatten [12]:
Het kunstmatig breken van de vliezen (vooral als het foetale deel nog niet is ingedaald)
De poging tot rotatie van het foetale hoofd
Amnio-infusie (het inbrengen van vloeistof in de amnionholte [13])
De uitwendige versie bij een patiënte van wie de vliezen gebroken zijn (een procedure waarbij de baby, die met de billen naar beneden ligt, via de buikwand van de moeder wordt omgedraaid zodat hij met het hoofd naar beneden komt te liggen [14])
Het inbrengen van een intra-uteriene drukkatheter of een foetale scalp-elektrode, of het inbrengen van een ballonkatheter voor cervicale rijping.
Maar ook al tonen studies aan dat deze interventies het risico op navelstrengprolaps verhogen, ze zouden de bijbehorende morbiditeit en mortaliteit niet verhogen [15]. Deze interventies worden namelijk bijna altijd uitsluitend uitgevoerd op de verloskamer, waar de mama continu extern foetaal wordt bewaakt en waar een spoedkeizersnede snel kan worden uitgevoerd.